Fotograferen in de Manuele Camerastand

De manuele stand lijkt misschien omslachtig. Toch krijg je er snel handigheid in en kun je je deze manier van fotograferen met gemak eigen maken. Het is essentiele kennis als je goed belichte foto’s wilt maken, vooral als je met een flitser fotografeert.

Maar eerst uitleg over Diafragma, Sluitertijd, ISO en de zogenoemde Belichtingsdriehoek.


De belichtingsdriehoek

De belichting van iedere foto, hoe donker of licht het ook is, wordt bepaald door drie factoren:

1 – Diafragma

2 – Sluitertijd

3 – ISO

De Engelse term voor diafragma is Aperture, ook wel aangeduid met A.

Sluitertijd is Shutter Speed en wordt aangeduid met S.

ISO is de international term voor de lichtgevoeligheid.

1 – Het diafragma

Deze term heeft betrekking op de grootte van de lensopening. Het diafragma bepaalt de hoeveelheid binnenvallend licht die door de lensopening wordt getransporteerd naar de sensor.

  • Bij een grote lensopening zoals f/4 stroomt er veel licht naar de sensor en is de sluitertijd relatief kort.
  • Bij een kleine lensopening zoals f/22 duurt het lang  voordat het benodigde licht de sensor bereikt. Daardoor is de sluitertijd langer.

De getallen van diafragma zijn genormeerd in een reeks:

f/1.4, f/2, f/2.8, f/4, f/5.6, f/8, f/11, f/16, f/22. Hoe lager het getal, des te groter de lensopening.

Ieder volgend getal noemen we een volle stop ten opzichte van het vorige. Dus van f/8 naar f/11 is een volle stop.

Tussen volle stops bevinden zich gedeeltelijke (1/2 of 1/3) stops. Dit wordt bijvoorbeeld aangegeven met f/4.5, f/6.7 et cetera.

Iedere stop is een factor 2 in de oppervlakte van de opening van de lens. Dat houdt in dat iedere stop de helft of het dubbele van de hoeveelheid licht doorlaat.

2 – De sluitertijd

De sluitertijd is de tijdsperiode waarin de sluiter zich opent en weer sluit. Zolang de sluiter open staat wordt het licht toegelaten tot de sensor. Hoe langer de sluiter open staat, des te meer licht er op de sensor valt.

De volgende getallen zijn fracties van seconden en zijn als volgt genormeerd:

1/8000sec, 1/4000sec, 1/2000sec, 1/1000sec, 1/500sec, 1/250sec, 1/125sec, 1/60sec, 1/30sec, 1/15sec et cetera.

Ieder getal noemen we een volle stop ten opzichte van het vorige. Hiertussen bevinden zich gedeeltelijke (1/2 of 1/3) stops. Dit wordt bijvoorbeeld aangegeven met 1/200sec, 1/40sec et cetera.

Iedere stop een factor 2 voor de periode dat de sluiter open staat. Dat houdt in dat iedere stop een halvering of verdubbeling is van de belichtingstijd.

3 – ISO

ISO is de internationale term voor lichtgevoeligheid. ISO bepaalt de lichtgevoeligheid van de sensor. Hoe hoger de ingestelde ISO op de camera, des te minder licht nodig is om een correct belichte foto te maken.

De getallen van ISO zijn een genormeerde reeks:

100 ISO, 200 ISO, 400 ISO, 800 ISO, 1600 ISO, 3200 ISO en 6400 ISO.

Ieder getal noemen we een volle stop ten opzichte van het vorige. Hiertussen bevinden zich gedeeltelijke (1/2 of 1/3) stops. Dit wordt bijvoorbeeld aangegeven met 640 ISO, 320 ISO et cetera.

Iedere stop is een factor 2 in de benodigde hoeveelheid licht voor de belichting van een foto. Dat houdt in dat iedere stop de helft of het dubbele van de hoeveelheid licht nodig heeft.


Hoe zie je de belichtingsdriehoek terug in een foto-opname?

Ervan uitgaande dat de foto een technisch juiste belichting moet krijgen, kies je een bepaalde combinatie van diafragma, sluitertijd en ISO. Deze is afhankelijk van de hoeveelheid aanwezig licht van de scène in de foto.

Deze foto is gemaakt met f/5.6, 1/500sec en 400 ISO.

Stel nu dat je de lensopening wilt verkleinen van f/5.6 naar f/8. Daarmee wordt de helft minder licht toegelaten op de sensor. Om dezelfde belichting te behouden kun je ofwel de sluitertijd dan wel de ISO waarde verdubbelen.

Zo zou de bovenstaande foto nog steeds correct belicht worden bij de volgende instellingen:

f/8 – 1/250sec – 400 ISO (hier wordt een stop gecompenseerd met de sluitertijd)

of

f/8 – 1/500sec – 800 ISO (hier wordt een stop gecompenseerd met de ISO)

Kortom, een wijziging van de ene factor uit de belichtingsdriehoek heeft tot gevolg dat je een van de twee andere factoren evenredig moet wijzigen om dezelfde belichting te krijgen. Doe je dat niet, dan wordt de foto lichter of donkerder.


Fotograferen in de manuele camerastand

Bij iedere foto die je maakt stel jij zelf een diafragma, sluitertijd en ISO in. Welke instelling je precies kiest is onder meer afhankelijk van de hoeveelheid aanwezig licht in de scène. Het aanwezige licht wordt gemeten met de zogenaamde reflecterend lichtmeter.

Automatische reflecterend lichtmeter

Spiegelreflex- en systeemcamera’s hebben een automatische lichtmeter ingebouwd. De lichtmeter wordt geactiveerd zodra de ontspanknop op de camera half wordt ingedrukt.

De lichtmeter in verschillende type camera’s laten een “0” punt in het midden zien en een “-” punt en “+” punt aan de linker- of rechterkant.

Het kan worden weergegeven zoals op onderstaande afbeelding en wordt zichtbaar onderin het zoekerbeeld of op het LCD scherm achter op de camera.

Het zwarte balkje op deze lichtmeter geeft aan dat de camera bij nul een gemiddelde belichting in het beeld herkent. In het algemeen zal de gemaakte foto goed belicht zijn. Staat het balkje aan de “–“kant, dan zal de foto onderbelicht zijn en staat het aan de “+”kant dan zal de foto overbelicht zijn.

Laten we de voorbeeldfoto van de groene gevel eens onder de loep nemen.

De lichtmeter zoekt naar een gemiddelde belichting. De automatische lichtmeter in de camera berekent de belichting aan de hand van het terugkaatsende licht van de scène. De hele scène reflecteert middentinten. Er zijn geen extreem lichte of donkere vlakken in beeld.

De lichtmeter in de zoeker van de camera staat op “0”. Met f/5.6, 1/2000sec en 100 ISO wordt de foto correct belicht. Over het algemeen kun je stellen dat je bij een gemiddelde lichtreflectie in het zoekerbeeld erop kunt vertrouwen dat de “0” op de lichtmeter een juiste indicatie is. Maar er zijn situaties denkbaar dat er afwijkende lichtreflecties zijn.

Afwijkende lichtreflecties

Niet iedere foto bevat een gemiddelde lichtreflectie. Bij foto-opnames varieert de mate van reflectie. Deze wordt bepaald door de kleur en het materiaal van het onderwerp. Wit reflecteert meer licht dan zwart, een glanzend voorwerp reflecteert meer licht dan een mat voorwerp, een witte, volledig bewolkte lucht reflecteert meer licht dan een blauwe lucht. Lichtrijke scènes reflecteren al snel zo’n 50% meer licht, terwijl donkere scènes maar zo’n 7% van het licht reflecteren. De lichtmeter in de camera houdt daar geen rekening mee.

Overbelichten bij veel witte reflecties

Stel, we fotograferen een scène met veel lichte tinten. Bijvoorbeeld zoals de foto’s van deze tafelsetting.

Deze foto is gemaakt met f/4.5 – 1/125sec – 400 ISO. De lichtmeter staat op “0”. Helaas, de foto is onderbelicht. De camera ‘denkt’ dat er voldoende licht op de sensor is gevallen om een correct belichte foto te maken. Dat is niet het geval. Het witte tafellaken en het buitenlicht op de achtergrond reflecteren veel meer licht dan gemiddeld! De automatische lichtmeter vertaalt deze lichte partijen naar een gemiddelde tint. De scène wordt daardoor te donker afgebeeld. De lichtmeter had eigenlijk moeten worden gecorrigeerd. Bij de volgende foto is de lichtmeting gecorrigeerd naar de “+”kant. Dit noemen we overbelichten.

We maken de foto opnieuw maar nu met een correctie in de belichting van één stop. We laten het diafragma op f/4.5 en de ISO op 400, maar veranderen alleen de sluitertijd van 1/125sec naar 1/60sec. De sluiter staat een stop langer open. We geven als het ware de camera opdracht om de scène langer te belichten. De lichtmeter gaat dan naar de richting van de “+”.  Nu de lichtmeting met één stop is gecorrigeerd, is de foto goed belicht.

 

Onderbelichten

De omgekeerde redenering geldt ook. Foto’s met veel donkere beeldvlakken moeten worden onderbelicht. Zoals op de foto’s hieronder.

Dit onderwerp bevat voornamelijk donkere beeldvlakken. Bij deze afbeelding staat de lichtmeter op “0”. De lichtmeter detecteert een lage reflectie en zal de foto te lang belichten. Het hele beeld is overbelicht. De camera ‘denkt’ dat er genoeg licht op de sensor is gevallen met f/4.5, 1/30sec en 400 ISO, maar er wordt veel minder licht gereflecteerd dan het gemiddelde. De foto krijgt teveel licht.

 

Bij deze opname hebben we de lichtmeter met opzet gecorrigeerd. We onderbelichten de opname met één stop door de sluitertijd te verkorten van 1/30sec naar 1/60sec. De sluiter staat korter open waardoor er minder licht op het onderwerp valt. We geven als het ware de camera de opdracht om korter te belichten dan wat wordt aangegeven op de lichtmeter. Nu is de foto goed belicht.

 

Het compenseren van stops

Bij het compenseren van stops kun je kiezen voor een andere sluitertijd (zoals in bovenstaande voorbeelden), maar dit kan ook met diafragma en/of ISO. Een stop is een stop, ongeacht of je die bij diafragma, sluitertijd of ISO compenseert.

Dit was de theorie. Probeer het nu zelf eens uit met de volgende oefeningen.


Oefening A: het fotograferen van een onderwerp met neutrale tinten

  • Maak de opname buiten, op een bewolkte of een zonnige dag.
  • Kies een willekeurig scène met neutrale tinten, bijvoorbeeld zoals de groene gevel in dit artikel. Zorg dat je het (zon) licht in je rugzijde hebt.
  • Zet de camera in de “M” stand. 

 

  1. Kies een instelling van f/5.6 en 200 ISO op je camera.
  2. Zet je camera op een statief en richt deze op de scène die je wilt fotograferen. Zorg voor een beeldvulling met gemiddelde reflecties, dus niet teveel lichte of donkere vlakken.
  3. Druk de ontspanknop half in. Zo wordt de automatische lichtmeter geactiveerd en zal deze zichtbaar zijn onderin de zoeker of achterop het LCD scherm van je camera. Het terugkaatsende licht van de scène wordt nu gemeten.
  4. Kies voor een sluitertijd waarmee het balkje van de lichtmeter in het midden op “0” komt te staan.
  5. Maak de foto. Als je de stappen goed hebt opgevolgd is de foto correct belicht.
  6. Laat je statief op dezelfde plek staan en maak nu een foto waarbij je met opzet gaat overbelichten met twee stops. Doe dit door te kiezen voor een grotere lensopening, een tragere sluitertijd en/of een hogere ISO instelling. De foto zal (te) licht zijn geworden en de lichtmeter staat naar de “+” kant.
  7. Maak exact dezelfde opname, maar onderbelicht het beeld met twee stops. Het doet er niet toe of je de onderbelichting bewerkstelligt met een kleinere lensopening, een snellere sluitertijd of een lagere ISO instelling. De foto zal (te) donker zijn geworden en de lichtmeter staat naar de “-” kant.

Oefening B: het fotograferen van een onderwerp met lichte tinten

Kies een onderwerp met veel lichte beeldvlakken. Ideetje: witte champignons of suikerklontjes op een witte ondergrond.

  1. Kies een instelling van f/5.6 en 200 ISO op je camera.
  2. Zet je camera op het statief en richt deze op het onderwerp.
  3. Druk de ontspanknop half in om het terugkaatsende licht van de scène te meten.
  4. Kies voor een sluitertijd waarmee het balkje van de lichtmeter in het midden op “0” komt te staan.
  5. Maak de foto. Als je de stappen goed hebt opgevolgd is de foto onderbelicht.
  6. Nu ga je opnieuw de foto maken waarbij je het licht gaat compenseren. Kies voor een grotere lensopening, een tragere sluitertijd of een hogere ISO instelling of een combinatie ervan. Je ziet de lichtmeter naar de “+” kant verschuiven. Compenseer net zo lang totdat het onderwerp goed is belicht.

Oefening C: het fotograferen van een onderwerp met donkere tinten

Kies een onderwerp met veel donkere beeldvlakken. Ideetje: zwarte peperkorrels of een zwarte GSM op een zwarte ondergrond.

  1. Kies een instelling van f/5.6 en 200 ISO op je camera.
  2. Zet je camera op het statief en richt deze op het onderwerp.
  3. Druk de ontspanknop half in om het terugkaatsende licht van de scène te meten.
  4. Kies voor een sluitertijd waarmee het balkje van de lichtmeter in het midden op “0” komt te staan.
  5. Maak de foto. Als je de stappen goed hebt opgevolgd is de foto overbelicht.
  6. Nu ga je opnieuw de foto maken waarbij je het licht gaat compenseren. Kies voor een kleinere lensopening, een snellere sluitertijd, een lagere ISO instelling of een combinatie daarvan. Je ziet de lichtmeter naar de “-” kant verschuiven. Compenseer net zo lang totdat het onderwerp goed is belicht.